Lees meer over de gehouden activiteiten of de
agenda onderwerpen van de Oudheidkundige Kring "Geertruydenberghe" welke
in 2008 jaar georganiseerd zijn.
- Excursie: Heemtuin en bezoekerscentrum te Heusden
- Excursie: Zaterdag 7 juni 2008
(o.l.v. een gids) Heemtuin en bezoekerscentrum te Heusden.
- Heemtuin de 'Meulenwerf' ligt op
een prachtige locatie in de oude vestingstad Heusden. Via de
Molenstraat is de toegang tot de tuin die deels door
vestingwerken en deels door achtertuinen wordt begrensd.
Markante eye-catcher hoog boven op de wal is de standerdmolen. Het thema
van de heemtuin is de weerspiegeling van de stad Heusden met haar omgeving.
De stad
gebouwd op een stroomrug van de Maas, haar omgeving de
komgronden in de buurt van een rivier. Alle biotopen die in en om Heusden
voorkomen worden hier in het klein nagebootst.
Kenmerkend is de duidelijke tweedeling in het ontwerp door een hoogteverschil
van zestig centimeter, gemarkeerd door een stenen muur. Het hooggelegen
gedeelte verwijst naar de stroomruggronden in het rivierengebied. Een perceeltje
heeft oude gebruiksgewassen met een verwijzing naar de oude ambachten in de vestingstad.
Het laaggelegen gedeelte; nat half-nat gedeelte is ingericht met diverse moeras- en
waterplanten en er is water-oevermengsel aangebracht. Hier ziet u o.a. Pijlkruid, Grote
Egelskop en Waterdrieblad.
Er is een speciale geur-, geluid- en tastroute aangelegd: het tastbaar groen. De naam
van de route en de beplanting is gebaseerd op het boek Tastbaar groen van Hans Schuman.
In de stenen ornamenten die bij de oude paardenkastanje liggen is het gedicht 'Ik ben een
spiegel' gebeiteld. Het gedicht is speciaal voor de heemtuin geschreven door Mariska Meuzelaar-de Boer.
(bron: http://www.hbtheusden.nl/)
- Na de rondleiding met een gids
door de heemtuin gaan we gezamenlijk naar het Bezoekerscentrum.
Dit voormalige stadhuis bevat een aantal bezienswaardige
objecten: een prachtige maquette van de vesting, een maquette
van het kasteel en van het oude
stadhuis. Op de eerste verdieping is een gildenkamer ingericht
en er is een zaal met wisselende exposities. Na afloop drinken
we nog gezellig koffie. (bron foto: Zoom.nl - Fotograaf: Tineke)
- Plaats- en waternamen: Hun
betekenis voor de geschiedenis van het landschap
- Lezing gehouden: 17 april 2008
door Dhr. Dr. Ir. J.A. Hendrikx
- De belangstelling voor deze lezing
was groot. De heer Hendrikx schetste vóór de pauze het belang
van de plaatsnaamkunde als hulpwetenschap voor de archeologie.
Voor taalkundigen is het vakgebied belangrijk omdat de oudste
klanken die we kennen, verscholen kunnen liggen in plaats- en
waternamen. Er bestaan legio namen die door hun etymologische
eigenschappen kunnen worden aangeduid als prehistorisch. Namen
als Oss en Pesse duiden op een zeer oude bewoningsgeschiedenis.
Namen als Kesteren/Kasteren zijn bijna overal terug te voeren op
legerplaatsen langs de Rijngrens van het Romeinse Rijk (castellum/castra).
Bij de naamsduiding van plaatsen is de nodige voorzichtigheid
geboden; in de loop der tijd is er vaak lustig op los
gefantaseerd om plaatsnamen van een interessante achtergrond te
voorzien. Maar zelfs op wetenschappelijk niveau blijft het soms
moeilijk om een hypothese te onderbouwen en kunnen er
verschillende interpretaties zijn.
- Door een aantal naamstypen die een
bijzondere eigenschap vertonen in kaart te brengen, krijgen
taalhistorici een aanknopingspunt om de bewoningsgeschiedenis te
herleiden. Tijdens de vroege middeleeuwen ontstond het
Frankische rijk, eerst onder de Merowingen, later onder de
Karolingen (uitgang betekent: afstammelingen van). In dit gebied
treffen we dan ook een aantal plaatsnamen aan die eindigen op –ingen,
die daarmee hun Germaanse oorsprong aantonen. In Romaans gebied
verromaanste deze uitgang tot –ange, een naamstype dat we in
België vaak tegenkomen. Ook namen die eindigen op –heem zijn van
Germaanse oorsprong. Soms werpt een geschreven bron licht op de
ontstaansgeschiedenis van een plaats. Een kleine stam die zich
in de vroege middeleeuwen langs de Rijn vestigde, werd door de
omgeving aangduid als “Arne en zijn gehuchtje”. Arne + heem werd
Arnhem.
- Na de pauze geeft de spreker een
globaal overzicht van de Nederlandse plaats- en waternamen sinds
de Romeinse tijd, als indicator voor de ontginning van ons land.
De belangrijkste geschreven bron over Romeinse plaatsnamen in
ons land is een Romeinse reiskaart, waarvan een kopie uit de 4e
eeuw is teruggevonden, de zgn. Peuteringenkaart. Bij kartering
blijkt dat deze namen voornamelijk langs rivieren lopen. De
Nederlanden bestonden in die tijd voor 2/3 uit moerasgebied, en
zandgronden, en daar hadden de Romeinen weinig belangstelling
voor. Voor de vruchtbare lössgebieden in Zuid-Limburg en in
België was wél belangstelling, waardoor we hier Romeinse namen
aantreffen.
- In de tweede helft van de 4e eeuw
verzwakte het West-Romeinse Rijk. Steeds meer Germaanse stammen
trokken de Donau en de Rijn over en infiltreerden in Romeins
gebied. Eind 5e eeuw hield het Romeinse gezag in het Westen op
te bestaan en brak er een nieuw tijdperk aan, de vroege
middeleeuwen, waarin de “barbaren” hun gezag uitbouwden. Op veel
plaatsen in ons land moest bos gekapt worden om er akkers aan te
leggen. Door deze ontginningen ontstonden nieuwe plaatsnamen,
die vaak eindigden op –lo, en –hout. Namen met uitgang –koop
herinneren aan “het recht op de wildernis”, gebied dat
oorspronkelijk eigendom van de keizer was, maar dat voor een
jaarlijkse cijns uitgegeven kon worden aan mensen die het gebied
wilden ontginnen. Een dergelijke overeenkomst heette vroeger een
“koop”.
- Een recente ontwikkeling in de
naamgevings-geschiedenis, zijn de plaatsnamen in de Flevopolder.
Ooit was het IJsselmeer (en Zuiderzee) een Hollands veengebied
dat door de Friezen was ontgonnen. Door ontwatering en
inklinking werd dit gebied door de zee overspoeld. Een aantal
namen van verdronken dorpen, overgeleverd via oude oorkondes,
kreeg in Flevoland een tweede leven. (Verslag: Liesbeth van
Dintere)
- Latijnse scholen in Nederland
- Lezing gehouden: 13 maart 2008
door mevr. Annemarieke Willemsen
- In een boeiende lezing besprak Mw.
Willemsen voor de pauze de middeleeuwse school en het onderwijs
in zijn algemeenheid, met name in de periode 13e - 16e eeuw. Na
de pauze kwamen de archeologische vondsten aan bod.
- Bronnen zijn opgravingen op de
plaats waar een school heeft gestaan en afbeeldingen van
scholen. Ook zijn er schoolboeken bekend uit die periode. De
Latijnse Scholen waren stadsscholen, meestal ontstaan uit
koorscholen bij kerken. Ook Geertruidenberg heeft zo'n Latijnse
School gehad in de 14e - 15e eeuw. Deze zat vast aan de kerk
(ernaast of in een zijbeuk). Het recht op deze school was
gegeven door de Abdis van Thorn. De stad probeerde goede
schoolmeesters aan te stellen omdat zij de leerlingen goed
wilden opleiden. De school was toegankelijk voor een brede
populatie, niet alleen voor de gegoede burgers. De stad betaalde
voor arme ouders het schoolgeld.
- Het doel van de Latijnse Scholen
was om geletterde leerlingen af te leveren, die het Latijn
beheersten. Daarnaast ook om hen tot goede christenen te vormen.
- De schoolcarrière begon voor
kinderen van 4-7 jaar in een wijkschooltje, waar de eerste
beginselen van lezen en schrijven werden geleerd. Daarna ging
een deel van de 8- tot 12-jarige jongens naar de Latijnse
School, waar ze les kregen in grammatica, schrijven en spreken
van het Latijn. Dit was toen nog een "levende" taal, die over de
hele wereld bruikbaar was! De laagste klas was de 7e klas en
veel scholen gingen niet verder dan het programma van de 3e
klas. Alleen topscholen hadden een 1e en 2e klas, waar extra
vakken werden onderwezen, vergelijkbaar met het 1e jaar van de
universiteit. Zo'n topschool was bijvoorbeeld in Alkmaar, waar
wel 1000 leerlingen onderwijs kregen, waarvan slechts 12 in de
1e (dus hoogste) klas. Bekend is, dat maar de helft van de
leerlingen zelf schoolgeld betaalde; de rest werd door de stad
betaald. Rond 1500 waren er 65 Latijnse Scholen. Er kwamen
leerlingen van buiten de stad, die in kosthuizen werden
gehuisvest. Als er weinig leerlingen waren verbleven zij bij de
schoolmeester in huis, als het er teveel werden verbleven zij in
aparte huizen.
-
Het
is goed mogelijk om een specifiek beeld te schetsen van de
leerlingen in de middeleeuwen want er zijn honderden
afbeeldingen van schoolscènes te vinden in boeken, op
titelpagina's van schoolboeken, maar ook in de schilder- en
beeldhouwkunst.
-
In museum Boymans van Beuningen in Rotterdam hangt een
portret van een scholier van Jan van Scorel. In Duitsland staat
in een boek van Mattheus Schwartz uit 1520 o.a. een tekening van
een spelend kind op het schoolplein. In dat boek beschrijft en
tekent hij de diverse levensfasen van zijn schoolcarrière,
inclusief spijbelen! Ook in de verbeelding van bepaalde
sterrenbeelden en de maand februari komen schoolonderwerpen
voor. Vaak gaat het om afbeeldingen van een leraar met
leerlingen (bijv. in de persoon van Aristoteles, Augustinus,
Jezus). Op de afbeeldingen zijn te zien: alfabetplankjes met
a-b-c voorbeeld; schrijfetui voor schrijfplank en stiften; de
cathedra (stoel van de meester); roe en plak voor bestraffing.
Verder zijn er oefenteksten in de vorm van oefenzinnen en
dialogen met beschrijvingen van het dagelijkse leven op school,
die gevonden zijn als afval of als bindmateriaal van boeken.
Erasmus heeft zelfs een compleet boek geschreven met
lesmateriaal in de vorm van dialoogteksten.
-
Na de pauze kwamen de vondsten aan bod. In Groningen is een
grote beerput gevonden uit 1500-1550 van een Latijnse School
(dus voor leerlingen van 8-12 jaar). Daarin zijn gevonden:
speelgoed, o.a. haktollen, proppenschieter; schrijfmateriaal:
pen, inktpot, wastafeltjes, perkament; tafelgerei, zakmes;
schoenen, riem en een gebreide baret van een leraar!?
-
In Zwolle is in 1986 een kosthuis opgegraven in de oude kelder
van de muziekschool. Gevonden zijn o.a. veel pispotten, resten
van planten en dieren, maar ook een scheermes! Met spanning
wordt uitgekeken naar de vondsten van een opgraving die nog in
gang is in Gorinchem.
-
Tot slot gaf Mw. Willemsen op basis van alle bekende gegevens
een beschrijving van hoe de dag van een schoolkind er in de
Middeleeuwen moet hebben uitgezien. (Verslag: Gérard Dijkmans)
- Met de hond en de hondenkar terug in de historie.
- Lezing gehouden: 21 februari 2008
door dhr. Bert Willemen
- Tijdens een stamboomonderzoek
bleek de grootvader van de heer Willemen, als petroleumboer, een
hondenkar te hebben gebruikt. De nieuwsgierigheid naar dit
vervoermiddel werd een fascinatie voor hond en kar.
- Vol Enthousiasme vertelt dhr.
Willemen ons over zijn uit de hand gelopen hobby. Waar de
trekhonden aan moesten voldoen, bijvoorbeeld de minimale
schofthoogte van 60 cm., waarvoor een heuse meetstok bestond!
Hoe zij getuigd werden. Waar de hondenkar aan moest voldoen,
bijvoorbeeld dat er een zogenaamde staander aan de kar bevestigd
moest zijn en dat een rustplank en waterbak meegenomen moest
worden. In tientallen dia's van originele foto's en tekeningen
passeerde alle beroepsbeoefenaren de revue, die van de hondenkar
gebruik hebben gemaakt zoals bakker, groenteboer, petroleumboer,
marskramer, melkboer, visboer, slager en nog veel meer.
Een apart onderdeel was het gebruik van de hondenkar door de
posterijen en door het Nederlandse Leger, dat in de periode van
de 1e wereldoorlog een speciale mitrailleurwagen had laten
ontwikkelen, getrokken door 2 honden. Ook in de kunst zijn
afbeeldingen van hondenkarren terug te vinden, o.a. in
tekeningen van Anton Pieck en een standbeeld in Oude Pekela.
- Het einde van het gebruik van de
hondenkar kwam bij de wet op de Dierenbescherming van 1962.
Sindsdien mogen honden niet meer beroepsmatig worden
ingespannen. Alleen bij speciale gelegenheden als historische
optochten en braderieën wordt soms nog een hondenkar getoond.
- Het was al met al een avond vol
nostalgie, nog ondersteund door een expositie van allerlei
"hondenkarrenzaken".
- Tot slot nog een oproep: als
iemand afbeeldingen of voorwerpen heeft van hondenkarren, dan
wil dhr. Willemen graag contact met u hebben. Neemt u hiervoor
contact op met onze kring. (Verslag: Gérard Dijkmans)